De 20-jarige werknemer is in 2021 aan het werk in de slijp- en polijstruimte van de slachterij. Op een gegeven moment pakt hij een paar messen tegelijk om te polijsten. Daarbij valt er één op de draaiende polijstschijf. Het mes wordt weggeslingerd en komt in zijn onderarm terecht. De werknemer raakt daarbij zwaargewond.
Bestuurlijke boete minister SZW
Op 5 januari 2022 legt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de werkgever voor dit arbeidsongeval een bestuurlijke boete op van € 31.500. Volgens de minister heeft de werkgever het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan niet voorkomen of zo veel mogelijk beperkt. Daarmee heeft de werkgever gehandeld in strijd met artikel 16 lid 10 Arbeidsomstandighedenwet, in samenhang gelezen met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
De werkgever maakt tegen deze boete bezwaar. Maar de minister blijft bij zijn standpunt en verklaart het bezwaar van de werkgever op 8 juli 2022 ongegrond.
Beroep bij rechtbank Oost-Brabant
Daarna volgt een procedure voor de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank oordeelt op 24 maart 2023 dat de werkgever de specifieke risico's van het werken met messen onvoldoende heeft geïnventariseerd en vastgelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat de situatie op de werkplek kritiek was, in tegenstelling tot de bewering van de werkgever dat de werkplek volledig aan de veiligheidsnormen voldeed. Daarmee is de werkgever tekortgeschoten in diens zorgplicht en is zijn beroep ongegrond. Als gevolg daarvan volgt geen boetematiging op grond van artikel 1 lid 11 van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving.
Beroep bij Raad van State
Tot slot stapt de werkgever naar de hoogste bestuursrechter, de Raad van State. Daar voert hij met min of meer dezelfde argumenten als voor de rechtbank aan dat hij wél heeft voldaan aan de voorwaarden voor boetematiging:
- Hij heeft het gevaar zoals bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit met specifieke maatregelen beperkt.
- De rechtbank heeft niet onderkend dat de risico's van de concrete werkzaamheden zijn geïnventariseerd en vastgelegd. De werkgever verwijst hiervoor naar een verklaring van een leidinggevende.
- Hij heeft de werknemer adequate instructies gegeven.
- Hij heeft de randvoorwaarden gecreëerd voor toepassing van een veilige werkwijze en ook adequaat toezicht gehouden.
De Raad van State maakt, net als de rechtbank eerder, korte metten met deze argumenten. De Raad voegt aan het oordeel van de rechtbank toe dat de kern van het betoog van de werkgever gaat over de volgens hem onmogelijke opdracht het gevaar zoals bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit, met 100% te voorkomen. De werkgever stelt dit gevaar zoveel mogelijk beperkt te hebben en verwijst hiervoor naar het boeterapport.
Beroep niet met nader bewijs onderbouwd
Maar de Raad van State is van oordeel dat het boeterapport zorgvuldig is opgesteld. De bevindingen van dit rapport heeft de minister dan ook aan zijn besluit van 8 juli 2022 ten grondslag kunnen leggen. De werkgever heeft ook in hoger beroep de beperking van het gevaar en een voldoende inventarisatie van de risico's van de concrete werkzaamheden niet met nadere bewijsstukken onderbouwd. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van een veilige werkwijze en het geven van adequate instructies. Tot slot is hierbij van belang dat de door een leidinggevende overlegde verklaring afweek van de verklaring van de werknemer.
Wel boetematiging wegens overschrijding termijn
De Raad van State passeert daarom het betoog van de werkgever dat de bestuurlijke boete gematigd had moeten worden, omdat hij zou hebben voldaan aan de voorwaarden voor boetematiging in de beleidsregel. Wel oordeelt de Raad van State dat de werkgever een punt heeft waar het gaat om de boetematiging op grond van overschrijding van de termijn van artikel 5:51 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent een vermindering van de boete met € 1.575 tot een bedrag van € 29.925.
Let op
De rol van de werknemer is van ondergeschikt belang, omdat het gaat om wat de werkgever heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Zo staat niet vast dat de werkgever de werknemer mondeling of tijdens een praktijkinstructie, training of andere bijeenkomst adequate instructies heeft gegeven, gericht op het voorkomen van de gevaarzetting bij de concrete werkzaamheden. De werkgever kon ook niet aantonen te beschikken over een werkinstructie voor het veilig werken met de slijpmachine. Al met al reden om de boete op grond hiervan niet te matigen.
Bron: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 22 oktober 2025 – ECLI:NL:RVS:2025:5092













