Dit was in de negentiende eeuw nog een vanzelfsprekendheid. In de twintigste eeuw is er veel veranderd, waardoor er een uitgebreid stelsel is ontstaan waarop men terug kan vallen. Dit noemen we het sociale zekerheidsstelsel. Hoe dat precies in elkaar zit, kunt u hieronder lezen.
Drie Pijlers van Toekomstvoorzieningen
Het Nederlandse ‘pensioengebouw’ heeft een zogenoemde ‘driepijlerstructuur’. De soorten pensioenvoorzieningen zijn over deze drie pijlers verdeeld.
De eerste pijler
Hieronder vallen de sociale zekerheidsregelingen, zoals de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene Nabestaandenwet (Anw) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA).
Deze wetten vormen de basispensioenvoorzieningen voor alle inwoners van Nederland. Het verschil met de tweede en derde pijler is dat de AOW en Anw een collectief en wettelijk karakter hebben. De AOW wordt op omslagbasis gefinancierd. Dat wil zeggen dat iedereen die in Nederland loonbelasting of inkomstenbelasting betaalt en die jonger is dan 65 jaar AOW- premie betaalt. Deze premie wordt wordt meteen gebruikt voor het betalen van de AOW uitkering aan AOW-gerechtigden van 65 jaar en ouder. De AOW is een opbouwverzekering waarvoor iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen het 15e en 65e levensjaar verplicht is verzekerd. Ook mensen die niet in Nederland wonen, maar hier wel werken en loonbelasting betalen zijn verzekerd. De opbouw bedraagt 2% van de uitkering per verzekerd jaar.
Hoogte van de AOW uitkeringen per persoon per 1 januari 2009
| Bruto per maand | AOW-gehuwd | AOW-ongehuwd |
| AOW | € 686,78 | € 1.001,94 |
| Vakantie-uitkering | € 40,36 | € 56,50 |
De tweede pijler
De pensioenregelingen die vallen onder de tweede pijler zijn een aanvulling op de wetten uit de eerste pijler. Het gaat hier om pensioenregelingen van ondernemingen, bedrijfstakken of beroepsgroepen. Dit zijn de toekomstvoorzieningen die door werkgevers aan werknemers zijn toegezegd. Deze vloeien voort uit de arbeidsverhouding en komen tot stand in een individuele arbeidsovereenkomst of worden collectief geregeld via onderhandelingen en contracten tussen werkgevers(-organisaties) en werknemersorganisaties. Dit kan zowel op ondernemersniveau plaatsvinden als op bedrijfstakniveau. In het laatste geval vloeit de deelname doorgaans voort uit de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). Deelname aan zo’n regeling geldt voor alle personeelsleden of voor een bepaalde groep van werknemers binnen de onderneming.
De derde pijler
Dit zijn de aanvullende voorzieningen (privé-regelingen/verzekeringen) die een inkomensbron vormen voor gepensioneerden, of voor de nabestaanden. Onder deze aanvullende voorzieningen vallen de bij een levensverzekeringsmaatschappij afgesloten contracten voor lijfrenten, levensverzekeringen en spaarregelingen voor de oude dag. Het zijn regelingen die niet voortvloeien uit een arbeidsverhouding.
Deze voorzieningen zorgen voor een aanvulling op de eerste pijler, wanneer een collectieve voorziening ontbreekt. Daarnaast kunnen ze ook een aanvulling zijn op de eerste én de tweede pijler.
Kijk ook op www.ORpensioen.nl











