De Raad van Hoofdcommissarissen wordt niet in de Politiewet genoemd. Het landelijk overleg is op eigen initiatief van de grond gekomen en is in vijftien jaar uitgegroeid tot het belangrijkste informele adviesorgaan van de minister.
De totstandkoming van de Raad van Hoofdcommissarissen had grote gevolgen voor de zeggenschap en medezeggenschap binnen de politie. Volgens de wet uit 1994 ligt de zeggenschap bij het korps. Daarboven staat het politieke primaat van de minister. Naarmate de Raad van Hoofdcommissarissen meer macht naar zich toe wist te trekken, kwam de regionale medezeggenschap buitenspel te staan. Dat leidde al vrij snel, in 1995, tot een tegenzet van de medezeggenschapsorganen. Deze organen, toen nog regionale dienstcommissies geheten, verenigden zich in het Landelijk Overleg Regionale Dienstcommissies, maar na verloop van tijd kwamen de activiteiten van dit overleg op een laag pitje te staan en werd het opgeheven. Vier jaar geleden zag de Coöperatieve Ondernemingsraden Politie (COP) het licht omdat de regionale or’s zich regelmatig zagen geconfronteerd met besluiten die door de Raad van Hoofdcommissarissen in de regio’s werden ‘gedropt’. Vaak ging het om plannen waar volgens de WOR formeel advies of instemming voor nodig was. En al even vaak resulteerden de besluiten in de regio’s tot moeizame discussies en negatieve adviezen achteraf.
Een van de eerste daden van de COP was het formuleren van een gezamenlijke visie op de toekomst van de medezeggenschap. De medezeggenschap moet op alle niveaus verankerd zijn, dichtbij de medewerkers en in goed overleg met de vakbonden. Bovenal moet de or gezien worden als een strategische partner van het management. Tegenover de Raad van Hoofdcommissarissen maakte de COP kenbaar dat men graag van de raadsagenda op de hoogte werd gehouden, dat verslagen ook naar het COP-secretariaat zouden worden verstuurd en dat de COP, als de WOR daar aanleiding toe gaf, om een pre-advies zou worden gevraagd.
De eerste kwestie die tussen beide gremia speelde, en waarmee het meteen fout ging, betrof de zogeheten branche-richtlijnen: regels en afspraken voor het gebruik van dienstvoertuigen. De richtlijnen werden als vanouds vanuit het topberaad ‘gedropt’ en stuitten bij de regionale or’s op veel verzet.
Bij een volgende kwestie ging het echter goed. ‘Maar het blijft moeizaam’, vindt Luc Hoeben van het COP. Intussen is de COP ertoe overgegaan brandende kwesties rechtstreeks bij de minister aan te kaarten. Hoeben verwacht dat de COP uiteindelijk zal worden omgevormd tot een centrale ondernemingsraad.












